Admetos
Label8
214
1
20 November 2015

Jeroen Brouwers - Het hout

Door Frans Duijf

Jeroen Brouwers – Het hout

Sinds ik op 1 oktober 2014 mijn eerste indruk van Het hout publiceerde, is meer dan een jaar verstreken. Inmiddels heb ik het boek vele malen gelezen en desondanks niet kunnen komen tot een nadere beschouwing. Zelf ken ik daders van seksueel misbruik, schreef er in mijn boek Commentaar nummer 88 over, was kritisch over de schanddaad van het zwijgen. Hoe meer ik reflecteerde op deze schanddaad, des te meer boette ik aan mildheid in, wat mij noopte tot terughoudendheid, zodat ik voldoende mildheid zou hervinden. Toen ik er, nu zeven dagen geleden kennis van kreeg, dat op de late avond van een dag eerder aan Jeroen Brouwers voor de roman Het hout de ECI Literatuurprijs was toegekend, besloot ik een nadere beschouwing niet langer te laten liggen.

Zeker weet ik het niet, maar ik meen dat 2010 een jaar is geweest, waarin de schandaalonthullingen over seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk tot grote hoogten is gestegen. Ik verbleef dat jaar enkele weken in Zutendaal, waar ik net als Jeroen Brouwers dagelijks in het plaatselijke sigarenwinkeltje de dagbladen De Morgen en De Standaard kocht. Ik heb de stapel kranten bewaard. Zonder uitzondering staan zij bol van de schanddaden.

Een jaar later verscheen Vurige tong, een boek van Ann de Craemer waarin zij afrekent met de mensen die haar jeugd bepaald hebben. Zij schreef: ‘zwijgt en doe maar voort’. Zij noemt haar boek op het kaft een ‘vertelling’ omdat zij de lezers ‘nog meer [wil] laten aanvoelen dat alles wat in het boek staat echt is, dat alles waar gebeurd is, dat er als het ware geen regenbui in het boek is die er niet is geweest’. Bovendien had zij een boodschap, stelde zij wat de Kerk bewerkstelligde aan de kaak.

In 2012 begon Brouwers met zijn roman over het rapport van de Commissie Deetman in romanvorm. Zijn boek is geen vertelling, maar wat Brouwers etaleert is niet minder ‘echt’, is een verbeelding van wat ‘waar gebeurd’ is of, zoals de historicus en oud-kleinseminarist Willem Frijhoff heeft gezegd: ‘Herinneren is een andere werkelijkheid voorstellen, met de middelen van nu.’

Jeroen Brouwers heeft met Het hout een mieters boek afgeleverd, zich hiermee voorlopig onsterfelijk gemaakt. Brouwers heeft de genialiteit opgebracht het kloosterleven van binnenuit te schetsen, nou ja het kloosterleven, het weten, het wegkijken. Het boek heeft een knappe compositie. Die zie je niet alleen terug in de opbouw, maar ook in het eigenzinnige taalgebruik en het koeterwaals van de Duitse minderbroeder Mansuetus. Zelfs in Brouwers’ koeterwaals zit structuur.

De knappe compositie kan niet verhullen hoe schokkend het boek is. Het boek is vooral een aanklacht tegen de dubbele moraal van de Rooms-Katholieke Kerk, over het machtsmisbruik van vele priesters en kloosterlingen tot uiting komend in seksueel misbruik en het uitoefenen van terreur, gedragingen die in schril contrast staan met wat de kerk van anderen vraagt en waar zij zegt voor te staan, toe te schrijven aan mensen die binnen de Rooms-Katholieke Kerk als dienaren Gods gelden, mensen van wie je een hoog moreel gehalte zou mogen verwachten maar die naar buiten slechts de schijn ophouden.

Het boek reikt verder. Wegkijken is een euvel waar mensen zich blijkens de geschiedenis bij herhaling aan schuldig hebben gemaakt en nog steeds maken. Ik hoef ter verduidelijking maar Richard von Weizsäcker te citeren ‘Wie zijn oren en ogen openhield, wie zich wilde informeren, die kon het niet ontgaan dat de deportatietreinen voorbij rolden.’ Op het verzetsmonument van Jouke Hoogland aan de achterzijde van Musis Sacrum in Arnhem staat een tekstregel van de dichter Jos Pauw: ‘de meeste mensen zwijgen, een enkeling stelt een daad’. Desondanks kun je het gegeven dat de Jansbeek ondergronds stroomt, als symbolisch voor de zwijgcultuur van Arnhem beschouwen.

Dat er ook een andere werkelijkheid bestaat, liet Ischa Meijer zien. In Brief aan mijn moeder schetst hij hoe de vernietiging uit de kampen na de oorlog in het gezin doorging, hoe onderwerping van de moeder aan haar man samenging met haar terreur tegen haar zoon. Ook de karakterisering van het gezin als ‘het kleinste concentratiekamp ter wereld’ zoals Renate Dorrestein het kenschetste, laat zien dat het gezin niet altijd is te verkiezen boven een internaat.

Polemisch karakter

Brouwers is een uitmuntende polemist die zijn gelijke niet kent. Eén van zijn uitgangspunten is, dat alle feiten in een polemiek moeten kloppen. Laat Het hout nu een boek zijn, dat je kunt lezen als een omvangrijke polemiek in romanvorm, naar een beeld van Pierre H. Dubois Brouwers’ ‘waarheid van de verbeelding’. Je zou mogen hopen, dat het leed en de geraffineerde misdragingen en verhullingen die Brouwers laat zien, feitelijk zijn uitvergroot. Deze hoop is ijdel. Ook al zegt Brouwers in zijn interview met Wim Brands op 28 december 2014 dat hij met grootschalig seksueel misbruik in de Rooms-Katholieke Kerk is geconfronteerd via de kranten die de schande in achtereenvolgens landen zoals Ierland, Amerika, Duitsland, Zwitserland en Nederland naar boven brachten, geen eigen herinneringen aan seksueel misbruik te hebben. Brouwers balt de verschrikkingen die in al deze landen op grote schaal zijn gepleegd in zijn roman samen. In zoverre gaat het niet om het precieze realiteitsgehalte van de feiten in de roman. Daarmee is wat hij aan de kaak stelt nog niet onwaar. Dat mag na de polemiek van Rudy Kousbroek over het waarheidsgehalte van Brouwers’ Bezonken rood genoegzaam als bekend worden verondersteld.

Brouwers vergeet nog zijn huidige vaderland België te noemen. Zelf vertoefde ik in september 2010 enkele weken in Zutendaal en las er De Morgen en De Standaard, die dagelijks volstonden met aan Belgische kinderen toegebracht seksueel misbruik-ellende, kranten die ook Brouwers ophaalde in hetzelfde sigarenwinkeltje waar ik ze kocht. Enfin, op enig moment dacht Brouwers: daar wil ik iets mee.

Het verhaal gauw verteld

Zelf vindt Brouwers, dat het verhaal gauw is verteld. Eldert Haman komt op jonge leeftijd als leraar Duits in het klooster, wordt er gehuisvest, krijgt er kost en inwoning, heeft verteerbaarheid, een fiets voor zijn uitstapjes. Als er verbouwd wordt, krijgt hij een kleinere woonruimte, een cel. Zo wordt hij langzaam het klooster ingezogen, wat wordt versterkt als hij geen salaris meer krijgt, zijn fiets verdwijnt, hij een kloosterjurk en wat daar bij hoort krijgt – ‘De pij irriteert mijn huid’, zo luidt de openingsalinea –, een nieuwe naam, Bonaventura. Hij beseft te laat niet geschikt te zijn voor het kloosterleven, ‘voor geen enkel leven’, laat zich met ‘Conserve, van een nieuwe schrijver, zekere W.F. Hermans’ paaien. Gelukkig heeft hij zijn geslachtsdeel nog en een zakdoek, die dus niet alleen dient om zijn voorhoofd te wissen, derde knoop of niet. Bonaventura is een lulhannes, zoals alle hoofdpersonen bij Brouwers lulhannesen zijn, slappe zakken. Bonaventura snapt het wel, hij bleef ‘zoals meel blijft maar zonder notie dat het al deel uitmaakt van een klomp deeg’.

Mansuetus, de personificatie van het kwaad

Het is een kunst voor een romancier een personage goed te schetsen. Brouwers verstaat die kunst. Als Brouwers overste Benedictus in de refter Mansuetus laat voorstellen, tovert hij in enkele woorden in combinatie met koeterwaals uit de mond van Benedictus een angstwekkend menselijk monster, een knorrig, grommend personage met ‘roestig haar’ op zijn handen. ‘Een everzwijn. Sus scrofa.’ Er zal een nieuwe wind, een tyfoon, gaan waaien, zoveel is duidelijk. Het is een Duitser, een Gefreiter, net als Hitler. Bonaventura’s vader is door dit soort mensen weggehaald, nimmer weergekeerd. De entree van deze in koeterwaals mengsel van halfduits orerende wangestalte is schokkend. Mansuetus in feldgraue, in plaats van buizerdbruine pij, net als prins Bernhard een foute Duitser in voorbije oorlog. Mansuetus lijkt een everzwijn, symbool voor de wellust.

Deze Duitser neemt de leiding van de school over en zo komt de hel over Sint Jozef ter Engelen. Het hout wordt dan bloedstollend. Mansuetus, zijn grofheid, zijn bruutheid. Leerlingen mogen elkaar niet aanraken, vriendschappen zijn verboden, nooit met zijn tweeën.

Mansuetus intimideert en tiranniseert iedereen al vanaf zijn binnenkomst, zowel kloosterlingen als leerlingen. Met hem doet het hout zijn intrede, waarmee hij naar willekeur leerlingen afrost. Het hout is uiteraard een verwijzing naar het kruis dat Jezus droeg. Niet voor niets tekent Brouwers op: ‘gezegend is het hout door hetwelk gerechtigheid geschiedt’ en nam hij Lucas 23:31 tot motto. Dagelijks vernedert Mansuetus naar willekeur, deelt hij klappen uit met het hout op het naakte lichaam of sluit hij leerlingen op in een donker strafhok, de put, de kolenkelder onder de trap. Mansuetus heeft op zijn kamer zijn voorbeeld hangen, een uitvergrote tekening van Hans Holbein uit Lof der zotheid van Erasmus, een jongetje dat op zijn blote kont een aframmeling krijgt met een takkenbos.

Twee jongens die elkaar onder het voetballen euforisch aanraken vormen zijn mikpunt, krijgen een prominente rol in Het hout. Onbekend zijn de broeders met de aan Proust ontleende wijsheid van Socrates en Montaigne die jongelingen toestonden ‘zich te “amuseren” om alle soorten van genoegen te leren kennen en om hun overtollige genegenheid de vrije loop te laten’. Deze vriendschappen van ‘zowel sensuele als intellectuele aard [vonden zij] geschikter voor een jongeman wiens schoonheid en andere “zinnen” al ontwikkeld zijn, boven verhoudingen met stupide en verdorven vrouwen.’

Later vervangt hij het hout door een verende cellostrijkstok van pernambukhout, die zo’n heerlijk zoevend geluid maakt. Hij houdt van blond, zoekt dagelijks enkele slachtoffers uit, voor het afrossen én voor seksueel misbruik. ‘Doe iets moois. Mensen zullen het imiteren’, aldus zei Albert Schweitzer.’ Goed voorbeeld doet goed volgen. Slecht voorbeeld doet slecht volgen. ‘Er spande zich een membraam van angst over het leven binnen de muren.’ Veel broeders nemen dan ook het gedrag van Mansuetus over, zij het dat ieder zo zijn eigen vorm van seksueel misbruik kiest, bijvoorbeeld Laurentius doet ‘hop paardje hop tegen de gespreide jongensbenen die hij streelt en kneedt’ tot hij tot zijn ‘climax’ komt. Tja, ‘die mannekes missen tederheid’. De priester Sneef, die biecht hoort, Bonaventura de bekentenis van zijn zondige gedachten probeert te ontlokken, misbruikt het sacrament van de biecht feitelijk om Bonaventura, maar ook leerlingen uit te horen en te melden bij het gezag. Bonaventura noemt hem: ‘Sneef met zijn stinkende adem’, schetst hem als iemand met ‘slakogen in zijn achterbakse griesmeelgezicht, waarbij hij waarschijnlijk denkt mij tot in de milt te doorschouwen, maar ik doorschouw hem, hij wendt het eerst de blik weg.’ Sneef begluurde masturberende jongetjes. Een fraaie verwijzing naar ex-bisschop Gijsen. Brouwers voert Jaap Goedgeboerd op als assistent bij de administratie en boekhouding. In een interview met Arjan Peters in de Volkskrant van 11 oktober 2014 ontkende Brouwers aanvankelijk, dat Jaap Goedegebuure hier model stond. Even later zegt hij er zin in te hebben gehad die ‘protestantse bijbelvlooier en eminente boekenbezeiker van Trouw’ zo neer te zetten. Toen hij hoogleraar letterkunde werd verbrak Goedegebuure alle banden met Brouwers en verpatste hij van Brouwers cadeau gekregen manuscripten en boeken met opdracht aan antiquairs. Brouwers brak daar eerder de staf over. Enfin, zo krijgt Jaap Goedegebuure subtiel een beurt.

De naam Mansuetus is goed gekozen, staat voor een soort spin en is tegelijkertijd Latijn voor zachtmoedig, vriendelijk, vreedzaam. Geen slechte naam voor een beul annex kampbewaker, voor de Rudolf Höss van Sint Jozef ter Engelen.

Brouwers schrijft sexualiteit niet voor niets met een X. De (scheve) X staat zowel voor het hakenkruis ('weerhaken') als rechtop voor het christelijk kruis. Onder beide symbolen vinden gruwelijke misdaden plaats. Bonaventura heeft dan ook niet toevallig een vader die in de oorlog is weggevoerd door de Nazi’s. De verschikkingen die de vader ten deel zijn gevallen in de oorlog, vallen Bonaventura circa een decennium later ten deel in het klooster, jawel verantwoordelijk daarvoor is een Duitser. Wie weet aan wat die Duitser zich zelf in de oorlog heeft schuldig gemaakt? Maar Brouwers doet meer. Brouwers is niet een auteur die maar wat aanrommelt. De (hoofd)personages in Het hout heeft hij dan ook niet willekeurig benoemd. Het mooiste voorbeeld daarvan vind ik broeder Bonaventura. De naam betekent ‘goed vooruitzicht’, wat gezien het perspectief dat hij heeft bijzonder mag heten. De heilige Bonaventura, een dertiende-eeuwse Italiaanse franciscaanse theoloog en filosoof beschreef als eerste het leven van Sint Franciscus. Daarin beschrijft hij ook hoe deze de bloeddorstige wolf van Gubbio toesprak en hoe de wolf zich aan zijn zijde schaarde en een vriend werd van de burgers van Gubbio. In het boek tegenover broederoverste Benedictus is Bonaventura zoals de wolf van Gubbio.

Mansuetus censureert. Bonaventura mag in de les niet behandelen wat hij wil; alleen de klassieken. Het is afgelopen met ‘Hölderlin […] en Rilke. Heinrich Böll, F. Scott Fitzgerald en William Faulkner. Albert Camus. Simon van het Reve. Op het prikbord hangt zo nu en dan een stukje van Godfried Bomans.’ Mansuetus kan er bij geweest zijn, bij de boekverbrandingen, bedenkt Bonaventura. Hij mag ook niet lezen wat hij wil; geen Kurt Tucholsky meer. Spoedig, als hij het opneemt voor een jongen die door Mansuetus wordt afgerammeld omdat hij een ongewenst boek leest, mag hij geen les meer geven, mag hij surveilleren en dweilen; 'gedegradeerd tot kloosterfactotum en kostschoolsurveillant. In nederige gehoorzaamheid en onderworpenheid.’

Twee slachtoffers van Mansuetus, de boezemvrienden Mark Freelink en Wil van Lanschot hebben bij het maken van een doelpunt in hun euforie ieder per ongeluk met hun lippen die van de ander geraakt, waar Bonaventura van wegkijkt, maar wat ook Mansuetus ziet en onbenoemd als homoseksuele uiting beschouwt en hem een goede gelegenheid biedt zich te vergrijpen aan de jongens en dat ook doet. Brouwers formuleert dat beeldend. Als zij elkaar aanraken heet het dat ze opeens iets beseffen, ‘zoals een oester beseft dat de kleinste zandkorrel die in zijn schelp is gedrongen kan opzwellen tot parel’. Het pakt zo uit dat Mark op de ziekenboeg in de handen van ziekenbroeder Johannes Vianney ofwel Bulletje terecht komt, waar Bonaventura en Wil hem vinden. Hun gezamenlijk plan door het poortjes te ontsnappen is mislukt, omdat Wil er niet was.

De echte dokter, want Bulletje oefent de geneeskunst onbevoegd uit, ziet dat Wil is mishandeld, zegt wel iets daarover, maar trekt niet werkelijk aan de bel, kijkt uiteindelijk weg.

Vooraf heeft Brouwers een ontsnappingsroute voor Bonaventura bedacht. Er is geen broeder tandarts, wel door God gezonden tandpijn. ‘Wat een geluk dat er karbonkels van abcessen in mijn kaak hebben gewoekerd’, overweegt Bonaventura die uiteindelijk naar de tandarts in het dorp mag en er zo een jonge vrouw ontmoet, Patricia. Ingenieus en vermakelijk tekent Brouwers het hele boek door de stille liefde van Bonaventura en de verhouding die ontstaat, waar hij zich steeds verder in laat zuigen. Meesterlijk subtiel laat Brouwers zijn ontmaagding zien. Het Hooglied verbleekt erbij.

Louis Paul Boon volhardde niet, verving vijftien jaar later zijn magistrale slotroep ‘Schop de mensen tot ze een geweten krijgen’ in Mijn kleine oorlog door ‘Wat heeft het alles voor zin?’ Een vraag die in andere bewoordingen veelvuldig in het werk van Brouwers voorkomt. Wat Brouwers met Het hout doet, heeft alles te maken met het schoppen zoals Boon bedoelde. Waar Boon uiteindelijk verzaakte, nagelde Brouwers de Rooms-Katholieke Kerk spijkerhard aan het kruis, zonder te vergeten voor de verteerbaarheid zijn proza zo nu en dan te doseren met humoristische taferelen waar diezelfde kerk niet blij van zal worden. De recensent die afgeeft op de kolderieke passages in het werk door deze ‘kunstgrepen’ te noemen, heeft het niet begrepen en mogelijk, zo niet waarschijnlijk, ook onvoldoende kennis van het werk van Brouwers of is onvoldoende vertrouwd met wat katholiek is.

Wat er humorvol beschreven aan voorafging is meeslepend. Groots is dat en hoe Brouwers op Witte Donderdag, de dag waarop de bisschop het klooster aandoet, Bonaventura zijn besluit tot zijn verrijzenis laat uitvoeren. Het besluit de weg naar buiten te banen, is sowieso bijzonder, want dat heeft in de meer dan vijftig jaren van zijn schrijverschap nog geen hoofdpersoon bij Brouwers kunnen doen: ontsnappen, iets wat hijzelf ook niet kon. Hij ontknoopt het koord, kleedt zich tijdens de eredienst tot op zijn kloosteronderbroek uit en loopt met Wil, Mark en andere jongens de poort uit. Hij loopt rechtstreeks naar zijn geliefde, die hem simpel vraagt: ‘Waar bleef je nou zolang?

Autobiografische aspecten

Brouwers is ‘gekweekt uit de hardvochtigheid van Japanse kampbewakers en Nederlandse kloosterbroeders’, volgens Brouwers twee identieke beroepen. ‘Ik heb dat allemaal wel weten te verwerken, overigens dankzij het feit dat ik in staat ben om te schrijven, zodat je dus je eigen psychiater wordt.’

Brouwers moet Het hout geschreven hebben, zoals het in Bittere bloemen staat: ‘De woorden moeten met de hand worden neergeschreven, ze moeten rechtstreeks uit het lichaam stromen zoals bloed uit een opengekrabde wond.’ Brouwers is dan ook een echte ervaringsdeskundige, heeft intern op jongenspensionaten gezeten, vanaf vrij kort na repatriëring in 1948 naar Nederland. Hij begint er deel 1 van zijn Kroniek van een karakter mee. In Voorjaarsmoeheid, en in Heimwee – Een anatomie van het verlangen naar elders zegt Brouwers ‘op drie kostscholen gezeten’ te hebben. In het bijzonder in De zondvloed heeft hij laten zien hoe verstikkend, koud, kil en emotioneel schadelijk dat is geweest. Als klein kind verbleef hij tot in 1946 in het jappenkamp, waar hij samen met zijn moeder was voor zover zij geen straf had, niet van hem gescheiden werd en waar zij tot bloedens toe in haar kruis werd getrapt. De beschadigde moeder heeft ook Brouwers beschadigd en zijn verhouding tot alle vrouwen met wie hij een relatie had, met wie hij ‘verkeerd verbonden’ raakte. Het is na te lezen in Bezonken rood, net als het verraad dat zijn moeder – dankzij wie hij het jappenkamp had overleefd – door hem op een kostschool op te bergen, het ‘plaatsvervangend jappenkamp’.

‘Ik droeg in die kampjaren de afgedragen tropenhelm die van mijn beroemde grootvader was geweest. Met dit hoofddeksel getooid paradeerde ik door het Tjideng-kamp. Stap-stap-stap.’ De helm was zijn enige bezit naast het boek Daantje gaat op reis. Die tropenhelm die de kleine Jeroen in het jappenkamp droeg beschermde hem, was als baken voor zijn moeder, schermde hem als het ware af van de kwade wereld. De helm staat volgens mij ook symbool voor de kracht die alle mensen in zo’n jappenkamp gehad moeten hebben om te overleven. Wist zijn moeder de kleine Jeroen door zijn helm van afstand onfeilbaar te herkennen, op het jongenspensionaat was dat niet meer aan de orde. In schril contrast daarmee staat de passage waarin Brouwers vertelt dat bij het afscheid, toen de moeder zich naar Brouwers toeboog voor een kus, de voile van haar grote hoed voor de lippen viel. De tralies tussen de lippen en de wang vormen een prachtig symbool. ‘Al dat afscheid nemen is er de oorzaak van geworden dat mijn moeder en ik ten slotte voorgoed verkeerd verbonden raakten, en ik heb leren leven met het traliewerk tussen mij en haar, en tussen mij en de anderen. Mijn liefde gaat verloren.’ Van betekenis ook is de vermelding van Brouwers, dat de helm die ooit voor zijn moeder een baken was en hem vertrouwen schonk, toen zij de evenaar passeerden overboord werd gegooid onder het motto dat deze niet meer nodig zou zijn. De als een Sinterklaas verklede watergeest Neptunus rukte de helm van zijn hoofd, roepend: ‘Deze tropenhelm heb je in het koude vochtige Holland niet meer nodig, joh […] weg ermee. Wa! Wa! Wa!, jouw Indische jaren zijn voorbij.’ In welke mate zal hij dat zijn moeder hebben verweten? Het beeld past bij Brouwers’ uitlating, dat hij zich in Indië, in de grote wereld van Borneo op zijn plaats voelde, grote vrijheid genoot die na zijn aankomst in Nederland teloor ging. Hij voelde zich ontheemd, wat versterkt werd doordat hij jarenlang in elkaar opvolgende jongenspensionaten waar alles aan controle onderhevig was, werd opgesloten, zich ook zo voelde, en dat te midden van mannen in afzichtelijke lange jurken, faecaal bruin zoals Brouwers in Het hout schrijft. Daar kwam bij, dat hem daarmee in een heel belangrijke leeftijdsfase een normale ontwikkeling in een gezinsrelatie is ontnomen.

In Voorjaarsmoeheid heet het: ‘Ik ben tussen mijn tiende en zeventiende jaar, dit zijn de jaren waarin men zijn “wereldbeeld” vormt, voor mijn leven verziekt en het is niet meer mogelijk mijzelf te genezen.’ Het Sint Joris Pensionaat was het eerste van de verschillende elkaar opvolgende jongenspensionaten waar Brouwers van zijn tiende tot zijn zeventiende verbleef, door zijn ouders in ondergebracht ‘teneinde [hem] uit hun leven weg te moffelen’ om geen last van hem te hebben. Het is daar al waar hij denkt: ‘ik kom hier uit, ooit kom ik hier uit. Ik denk: zij zullen zich mij later nog wel herinneren, ik neem mij voor een belangrijk en beroemd schrijver te worden.’ Brouwers is er zo’n aap uit het psychologische experiment geworden, ‘niet meer tot geven en ontvangen van affectie in staat’. Decennia later constateert Brouwers: ‘ik [ben] er nooit uitgekomen

‘Ik denk met afgrijsen aan mijn kostschooljaren terug, – maar men heeft mij er in ieder geval de beginselen van een epistolaire bedrevenheid bijgebracht.’ Zo schrijft Jeroen Brouwers in de inleiding van deel 1 van zijn Kroniek van een karakter. En alles wat in zijn kroniek staat, is waar. Dat geldt ook de afwijkende spelling in de citaten. En afwijkend schrijven zal Brouwers. Het hout is doorspekt met eigenzinnig taalgebruik en zoals vermeld gestructureerd koeterwaals.

In Voorjaarsmoeheid wordt Brouwers op veertigjarige leeftijd dertig jaar terug in de tijd geworpen, ziet hij zichzelf terug als een van de leerlingen van zijn eerste kostschool. Hij ‘voelde [zich] weer volstromen met de [hem] wurgende angst, de wanhoop en het verlangen van die dagen, [zijn] agressies die niet konden worden ontladen, de [hem] vergiftigende haat en het verzet, dat als een tijdbom ergens in [hem] lag te tikken en waarvan het vaststond dat hij ooit zou exploderen’.

Je zou kunnen zeggen dat met Het hout de tijdbom alsnog is ontploft. Brouwers, die naar eigen zeggen liever componist was geworden, gaat in Het hout vol op het orgel, breekt in dit boek dat ruim voor verschijnen door de uitgever werd aangekondigd als het rapport van de commissie Deetman in romanvorm de staf over de mistoestanden bij kloosterlingen die hun agressieve instinct wellust (Darwin) niet weten in te dammen en te beheersen, wat juist van hen wel mocht worden verwacht. Hij nagelt de Rooms-Katholieke Kerk met zijn literaire verbeelding van het rapport in romanvorm aan het kruis.

In werkelijkheid heeft Brouwers geprobeerd te ontsnappen vanachter ‘de hoge kostschoolmuur. Puntige glasscherven bovenop die muur. Dáárboven vier lijnen prikkeldraad, – vier lijnen: de gregoriaanse notenbalk’. De tandpijn, die voor het ontsnappen van de hoofdpersoon van Het hout  zo broodnodig was, gebruikte Brouwers ook al in De zondvloed.

Het idee van de gevangenis zit er bij Brouwers diep in. ‘Drie decennia later overvalt mij bij het horen van Gregoriaans nog altijd de oude kostschoolangst, meteen gekoppeld aan mijn enige gedachte in die jaren: ooit kom ik hier weg, dit ooit heeft zelfs al een datum, op de eeuwigdurende kalender komt die datum dichterbij.’ Het Gregoriaans is weinig opwekkend: ‘het gregoriaanse gebrom, lijkend op dat van vliegen’. Brouwers stelt dertig jaar later vast: ‘het blijkt dat ik er nooit ben uitgekomen. Nog altijd sta ik met de rug tegen de muur en peuter met mijn vingernagels het cement tussen de stenen van de muur vandaan, dit is mijn kleine subversieve daad.’

In plaats van een koninklijke onderscheiding – wat al erg zou zijn – kreeg Brouwers op veertigjarige leeftijd van broeder Lamentatio o.f.m. een brief waarin men dacht hem nog steeds te kunnen claimen en te tutoyeren, ‘dit berokte falderappes […] dit klompjesvolk van Christus’ om in zijn aanwezigheid, nadat hij uit eigen werk zou hebben voorgelezen, een portret van hem op te hangen in de eregalerij van beroemd geworden kloosterleerlingen. Brouwers is dan nog niet vergeten hoe op zijn zeventiende zijn in opdracht geschreven schoolopstel Een droomreis, zijn schrijfsel ten aanschouwe van zijn medeleerlingen door broeder prefect ‘tussen duim en wijsvinger ver van zijn lichaam vandaan, als iets dat was besmet en hem angst inboezemde’, werd opgehouden en in ieders aanwezigheid de beschreven velletjes die de jonge Brouwers ‘in alle argeloosheid had geschreven, niet behept met de vervuilde geest die de hunne was’, in brand deed opgaan. Het scala aan straffen was niet mals. Brouwers bleef er koud onder: ‘Ik had aanspraak aan de vliegen.’ Zij vrezen niet zijn komst, want hebben nooit iets van hem gelezen... Dus vrezen zij ook niet, dat als hij zou komen, in plaats van ‘een verheffende toespraak’ de jeugdigen van het instituut zou ‘verblijden met dynamiet, slopershamers, revolvers, handgranaten, viltstiften en spuitbussen, met kisten vol pornografie en andere ondeugdzame geschriften...’. De brief stak hij in brand.

Broeder Mansuetus heeft werkelijk bestaan. Brouwers vermeldt dat in het filmpje van 23 april 2003, dat Klaas Koppe maakte van het bezoek dat Brouwers aan het voormalige internaat bracht. Hij heeft er zijn grafsteen nog gezien. Ook op internet heb ik betrouwbare informatie gevonden over deze Mansuetus en zijn schanddaden.

Het thema jongetjes op kostschool zit in al Brouwers’ verhalend werk. Ik mag mij al jarenlang verheugen in een door Brouwers gesigneerd exemplaar van zijn literaire debuut: Het mes op de keel.

In het openingsverhaal Orpheus figureert de kloosterling Emanuetus, sadist en homoseksueel. ‘Nooit was God aanwezig geweest in de tirannieke dreindrang van het kostschoolleven.’ Ook hier al zijn ‘de hemelhoge muren’ waarop de flessenscherven ‘blikkerden; venijnige tanden die hem [‘Victor. Ook mogelijk Vincent’] gebeten hadden toen hij op een nacht [ondoordacht] probeerde te vluchten’, aanwezig.

Terzijde, Kees Fens had geen waardering voor Het mes op de keel, noemde het debuut ‘een brok praatjesmakerij’. Hoe anders oordeelde Jeroen Vullings op 9 april 2005, ruim veertig jaar later in Vrij Nederland. Zelfs de ‘zwakste teksten [van Brouwers houden] een belofte in. De belofte van literatuur, die hij tot in iedere vezel belichaamt’. Waar Het hout wellicht ogenschijnlijk wat minder sterk lijkt, door de hilarische gebeurtenissen wat overdreven lijkt, heeft dat toch een functie die het boek als geheel ten goede komt. Het boek wordt, liever gezegd de meedogenloze smerigheden aan misdadige praktijken die eraan voorafgaan worden voor de lezer meer draagbaar.

We zien Emanuetus in zijn ‘bruine pij, die hem als een zak om het lijf viel’, onder zijn werkelijke kloosternaam als Mansuetus terug in Het hout, waar de kleur bruin, ‘faecaal bruin’ zelfs een belangrijke sfeerduiding is, een bruin dat op verschillende plaatsen in de roman terugkeert. Zo zal de daadkrachtige Patrica Bonaventura, die gekleed is in een ‘drolkleurige pij’, de les lezen en hem bespottend voorhouden: ‘Hoe kom je daar in godsnaam terecht. Uit bevlogen roeping? Op een ochtend werd je wakker van god, die riep in je oor: Eldert Haman, ik heb een paar vodden in strontkleur voor je hangen en je hoeft nooit meer sokken aan. Van al die ouwels krijg je vanzelf een rot gebit, dat is geen wonder.’ Ook zien we een ‘blok franciscusbruine zeep waar wit zand in zit’, goed voor de ‘grauwe vlok’ die hij is. Het wit van de kaarsbloemen in de kastanjes begint al te ‘roesten’ De lekenleraar verwijt Bonaventura dat hij staat te ‘roesten’. De ‘naakt uitgestrekte heiland’ heeft een ‘bruinblond baardje’ en ‘bruinblond zachtwelvend haar’. Zo is de kleur bruin is door het hele boek geweven. De pij die al voorkomt in de eerste zin, is het ‘faecaal’ bruine ‘lompengewaad van Franciscus van Assisi, die met wolven sprak’.

Ook ‘de wijze en gelijkgestemde broeder Bonavenatura zien we terug in Het hout, maar dan als de lulhannes die zo kenmerkend is voor Brouwers’ hoofdpersonen. Het thema zit ook in De zondvloed, Datumloze dagen en als oergegeven in Bezonken rood. De narigheid heeft Brouwers in Het hout helemaal uitgediept. Naar Brouwers’ zeggen: kennelijk moest Het hout geschreven worden om zijn oeuvre af te ronden, wat hem er niet van weerhoudt door te schrijven, onder meer aan een herziening en uitbreiding van De laatste deur. Onder meer Joost Zwagerman, van wiens dood Brouwers kapot is geweest, zal daarin een plek krijgen.

In Bezonken rood noteerde Brouwers, dat hij na repatriëring uit Indië ‘vrijwel onmiddellijk voor de rest van [zijn] kinder- en jongensjaren in door kloosterlingen geleide pensionaten’ verdwijnt. Hij begrijpt ‘het principiële verschil niet tussen een Japanse kampbewaker en zo’n kloosterling die ‘een meterslange rozenkrans aan het koord om zijn middel’ draagt. Brouwers stelt zich voor ‘dat er met zo’n rozenkrans flinke meppen kunnen worden uitgedeeld’.

Waar is Brouwers zelf in ingezogen? In De zondvloed beschrijft Brouwers hoe de ‘hij’ in zijn boek zijn trouwring afdoet en in de hand van zijn echtgenote legt, het voelt alsof ‘die vinger herademt’. Al die huwelijksjaren heeft hij niet ‘meegemaakt […,]‘op zeker dag bleek hij gehuwd te zijn, met een bepaalde vrouw, omtrent wie hij zich door de jaren heen steeds regelmatiger was gaan afvragen wie is dat eigenlijk?’

Zomaar wat ingrediënten uit eerder werk van Brouwers. In mijn boek Sporen achterlaten, dat ik in voorbereiding heb, zal ik daar te zijner tijd uitgebreid op terug komen.

Verantwoordelijkheid en wegkijken

Brouwers’ eigen ervaringen dateren van kort voor het grensvlak van de tijd waarin Paus Johannes XXIII streefde naar ‘aggionamento’, het bij de tijd brengen van de kerk. Wat later in de tijd durfden kloosterlingen ietwat gemakkelijker wegen te bewandelen los te komen van wat hun gevangen hield. Het hout speelt zich dan ook daarvoor af. Dat verklaart mede waarom de hoofdpersoon, eenmaal ingesluisd in het kloosterleven, zo’n moeite heeft de toog aan de kapstok te hangen.

‘Zwijgen. Iedereen zwijgt, al klinkt de schande als pauken. Zijn voorkeur is blond. De jongens houden hun mond gesloten, verlegen, dagenlang van streek, maar fluisteren het uiteindelijk toch door aan hun vriendjes. En vertellen het thuis als ze durven. Daar krijgen ze van hun ouders te horen: Wat zijn dat voor rare praatjes. Die smerigheid is puberfantasie. Hoe durf je ermee aan te komen. Ga naar je kamer.’

Het is zoals de filosoof Simon Blackburn in zijn tegendraadse beschouwing over ethiek noteerde over het onderscheid tussen wat we laten gebeuren en wat we veroorzaken: ‘Het is net alsof datgene wat we laten gebeuren, of wat toch wel gebeurt zonder dat we ons ermee bemoeien, niet op onze kerfstok komt.’ Brouwers gaat ten aanzien van Bonaventura niet zo ver, want beschouwde het als geheel begrijpelijk dat je zwijgt wanneer je in een web gevangen bent. Hoe zou Bonaventura anders hebben kunnen handelen? Pas in de slotfase ziet hij en pakt hij eindelijk zijn kans. Brouwers doet over de besluiteloosheid van Bonaventura niet moralistisch, ook al weet Bonaventura zich op een of andere manier medeplichtig. Brouwers laat Bonaventura de kern verwoorden: ‘Erover zwijgen is een zonde tegen de moraal en misvormt mij tot de lafaard die ik ben.’ Verantwoordelijkheid is één van de thema’s van Het hout.

Kijken we eens naar de top van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Die was al niet beter. ‘Simonis […] ontbeerde elk charisma dat nodig is om met gezag en overtuigingskracht een kerkprovincie als de Nederlandse te runnen. Hij werd de “papegaai” van de paus die hij zei niet te zijn.’ De biografie over kardinaal Simonis biedt fraai kijk ‘op het vermolmde gebint van een instituut dat in zijn voegen kraakt en door Vaticaans ingrijpen met conservatieve benoemingen tot toenemende polarisatie en leegloop leidde’, zo parafraseerde Gert J. Peelen in de Volkskrant van 31 januari 2015. Het aanhoudende gestuntel van Simonis kreeg zelfs enige amusementswaarde. ‘Wir haben es nicht gewusst’, zo luidde zijn verweer over het omvangrijke misbruik in de katholieke kerk. Vergaloppeerde Simonis zich door op 30 maart 2010 in het tv-programma Pauw & Witteman Duits te spreken, voor de rechtbank Middelburg sprak hij Nederlands en andere woorden: ‘Seksueel misbruik kwam in die jaren niet aan de orde in onze vergaderingen. Dat euvel bestond eenvoudig niet’. Zo noteerde ik in Commentaar nummer 88. Geen wonder dat Jan Blokker kon zeggen wie ‘van het houtje’ was, wantrouw ik  en Kees Fens, zij het in een andere context: ‘De hemel is naar beneden gekomen en ligt om ons heen, in scherven op de aarde’.

Niet dat het zo heel vreemd is. Recent nam Wilma de Rek Guus Kuijer een interview af naar aanleiding van zijn vierde Bijbelboek, De Bijbel voor ongelovigen – Koning David en de splitsing van het rijk. Over Absalom, de zoon van koning David, vertelt hij dat deze tegen zijn vader in opstand kwam. Het maakte dat hij met zijn haren in een boom verstrikt raakte. Volgens de christelijke leer was dat zijn straf. In werkelijkheid kwam Absalom in opstand omdat zijn vader ervan wegkeek, dat zijn dochter was verkracht, er niets aan deed.

Hilbert Kuik werd ruim 50 jaar geleden als redacteur van Propia Cures met mederedacteur Peter Verstegen strafrechtelijk vervolgd wegens een gedicht waarin een priester orale seks had met een misdienaar, zo schrijft A.L. Snijders op 18 december 2009. ‘In die tijd meende men nog dat zoiets alleen gebeurde in de verwrongen geesten van godloochenaars, nu kan men iedere dag de katholieke werkelijkheid van het priesterschap in de krant zien, van Maastricht tot Boston, van Dublin tot Buenos Aires, het is een wereldkerk.’

Overal in de samenleving, in werkorganisaties, op het wereldtoneel, gebeurt het: wegkijken. Het is ‘Veel mensen willen het niet doorhebben, want dan moet je een standpunt innemen’, zei Laura de Jong begin dit jaar. Dat mechanisme zien we terug in de kloostergemeenschap waarin Het hout zich afspeelt.

Wat wegkijken betreft is interessant een passage van Marie-Thérèse Roosendaal uit De Telegraaf van 9 oktober 2010, die betrekking heeft op het instituut waar Brouwers zijn roman situeert. Roosendaal citeert uit een verklaring van Bert Smeets, voortrekker van Mea Culpa en een van de slachtoffers van de Franciscaner broeders, van jongenspensionaat Sint Maria ter Engelen in Bleijerheide, door hen aangeduid als ‘Engelen-jongens’, wat wel een cynische naklank heeft.

Veertien van de twintig broeders misbruikten kinderen van acht tot veertien jaar. De broeders die ’s nachts op de slaapzaal surveilleerden, hadden elk hun eigen voorkeur voor bepaalde jongetjes. Elk hun eigen liefdesterritorium. Het was tweeledig, want broeder L. was bijvoorbeeld ook zachtaardig. Mooie kop, vrolijk, hij kon prachtig gregoriaans zingen. We zagen hem ook als een heilige. Mij maak je niet wijs dat het de andere broeders ontging. Die mannen waren onderling chantabel: ‘Je houdt wel je mond, want als jij vertelt dat, dan vertel ik…’. Af en toe kwam het kennelijk naar buiten, was er in de kapel ineens een stoeltje leeg. Overgeplaatst, zo ging dat, kon-ie elders zijn gang gaan, De doofpot ging het in. Een beerput, en die gaat nu open!

Nog een keer terug naar Het hout. Wat Brouwers in zijn boek op meesterlijke wijze, met zijn briljante, epistolaire talent, met de kracht van de top van zijn polemisch en verbeeldend talent laat zien, is niet alleen het wegkijken op zichzelf, maar ook hoe infecterend (voorbeeld)gedrag kan zijn. Het is geen toeval, dat aan het hoofd van het klooster dat in het boek figureert de overste de naam van Benedictus draagt (de oude paus die nooit het seksueel misbruik aan de kaak heeft gesteld, in zijn Urbi et Orbi met Pasen 2010 niet verder kwam dan dat de mensen ‘een spirituele bekering moeten ondergaan’), dat het gaat om de orde der Franciscanen (referte aan de nieuwe paus). Eerder zei ik al, dat de hoofdpersoon van het boek Bonaventura heet, wat zoveel betekent als goed vooruitzicht. Bonaventura bedenkt al draaiend aan het kralensnoer van zijn rozenkrans dat hij deze volgens de regel van Franciscus – ‘zelf een gebeten vrouwenhater, al had hij volgens apocriefe bronnen iets met de heilige Clara’ en stammend uit de tijd dat ‘de pausen hoeren ontboden in het Vaticaan en hun lustknapen benoemden tot kardinaal’ – dagelijks moet afprevelen, wat kan dienen om zijn seksuele verlangens te beteugelen, of zoals Brouwers hem zo mooi laat zeggen: ‘zijn heimweeërige verlangens die in strijd zijn met knoop drie’.

Er zou Bonaventura overkomen wat hij nimmer zou hebben durven dromen. Het is geen toeval dat Bonaventura voor zijn intrede (Eldert) Haman heette. Haman is een figuur uit het Bijbelse boek Esther, is niet alleen de schurk die de moord op alle Joden voorbereidde (in zoverre kan de naam Haman als verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog gezien worden die in de door Brouwers beschreven periode nog maar kort was afgelopen, maar Haman is ook de man die op kansen en toeval vertrouwde en uitdrukkelijk niet op God. Laat hem dat nu in dit boek te pas komen. Ook is geen toeval, dat het (vooral) Duitse broeders zijn die zich schuldig maken aan Gestapopraktijken en die de leeftijd hebben die maakt dat ze een weinig fraaie rol in de Tweede Wereldoorlog zouden kunnen hebben gespeeld. Of Brouwers geweten heeft dat ook Joseph Goebbels in 1917 scholier was op een internaat van een Duitse afsplitsing van de franciscaner orde, weet ik niet. Wat ik wel weet en Brouwers ook, is dat Mansuetus, dé Duitse schurkenbroeder die naar willekeur jongetjes aanrandde, met ether bedwelmde en meedogenloos met het hout sloeg, in werkelijkheid heeft bestaan, op het jongensinternaat Maria ter Engelen in Bleijerheide dat model staat voor het internaat in Brouwers’ boek. Brouwers doelde erop in Heimwee, waar hij het heeft over het meeste verderfelijke oord waar hij ooit verbleef, ‘het ellendedorp B in Zuid-Limburg’.

Brouwers zuigt de lezer zijn verhaal in door te laten zien hoe Bonaventura langzaam steeds dieper het klooster in wordt gezogen, totdat hij nergens meer heen kan. Brouwers koos er voor zijn hoofdpersoon, de helemaal niet gelovige Bonaventura als verteller te laten optreden. Een vondst noemde ik dat destijds. De lezer leest zijn overwegingen, die hij ook opschrijft, beeldend, associatief en spreektaal gebruikend voor zijn medebroeders en koeterwaals, in het bijzonder als hij de Duitser Mansuetus aan het woord laat.

Fraai taalgebruik

In het voorgaande passeerden als vanzelfsprekend enkele staaltjes formuleerkunst uit Het hout de revue. In het boek staat op iedere pagina wel een treffende zin. Ik voeg er naar willekeur nog enkele eraan toe.

‘Nauwelijks lente en het is al etmalen zo agressief heet alsof mijnheer broeder zijn woede uitbraakt. Vlammende hitte als kokende kots, die overal doorheen dringt, zelfs door de muren van de gewoonlijk koele, zelfs kille kapel.’

‘Zo iemand heet een vrouw, denk ik steeds, alleen dat woord wordt al tot onkuisheid gerekend en overigens had ik tot voor kort geen idee hoe dat andere geslacht er zou moeten uitzien.’

In de ochtend om ‘vijf uur dertig’ voelt hij met trots zijn ‘verse erectie, warm als een puntbroodje in mijn eromheen gesloten hand’, even maar, ‘voor meer [is ‘s morgens] geen tijd’

Iedereen moet ter communie, zo niet hij verraadt zich, ‘heeft de smet van doodzonde op zijn ziel en blijft uitgesloten van het mystieke kannibalisme’.

‘Op de hostie mag niet worden gekauwd. Het lichaam van de zaligmaker moet ongekreukt naar binnen. En men moet nuchter zijn voor deelname aan dit sacrament der sacramenten, opdat de zaligmaker niet terechtkomt tussen de raapsteeltjes en gekookt spek.’

‘Eet nu eindelijk iets, Barto, zegt een van ons. Het ambrozijn van de vasten. We doen of we lachen, maar de bedruktheid is met geen wijwaterkwast te verdrijven.’

‘Morgen wordt herdacht dat hij de matse verkruimelde en de brokken ronddeelde terwijl hij sprak tast toe, dit is mijn lichaam. Zonder boter of sjuu of jam of ander beleg. Wel werd er wijn geserveerd om de droge spijs naar onder te werken, waarvan hij zei dat het zijn bloed was.’

Patricia: ‘Uit bevlogen roeping? Op een ochtend werd je wakker van god, die riep in je oor: Eldert Haman, ik heb een paar vodden in strontkleur voor je hangen en je hoeft nooit meer sokken aan. Van al die ouwels krijg je vanzelf een rot gebit, dat is geen wonder.’

De schurk in Germisch heet Gabriël, ook niet erg toevallig. Hij was aan Bonaventure niet als een engel verschenen, ‘zoals er een verscheen aan onze eerste paus Petrus in zijn kerker.’ En is Germisch wel toevallig? Germisch, waar het hoofdkantoor van de Franciscanen is gevestigd, doet denken aan Garmisch-Partenkirchen (in de Duitse deelstaat Beieren), ontstaan toen Adolf Hitler die de twee afzonderlijke plaatsen Garmisch en Partenkirchen in 1935 samenvoegde.

Als Bonaventura aan Patricia denkt, heet het: ‘Satan troonde mij haar naakt, lachend, wulps aan een kruis, haar onderbuik naar mij vooruit gestulpt, daar kende ik de heilige woorden voor, ciborie, monstrans, custodia, al waren het andere die Beëlzebub in mijn oren giechelde.’

Als de lekenleraar Theo Woltgens hem zegt dat Patricia naar hem gevraagd heeft en haar groeten doet overbrengen, is zijn observatie: ‘Of je bij de paus een badkuip miswijn hebt leeggezopen, zo sta je te trillen’. Een ‘geluksvlaag door [hem] heen, terwijl [hij] kromp van wanhoop’.

Tot slot een fraaie passage als Bonaventura van zijn illegale uitstap naar zijn geliefde terugkeert en door broeder-overste Benedictus vermanend wordt toegesproken zoals de wolf van Gubbio vermanend werd toegesproken door Sint Franciscus.

‘Ik zie haar nog alsof ik bij haar ben gebleven, wat ik had moeten doen, haar geur is nog bij me en ik proef haar nog en daar beneden tintelt het nog en hij zou zo opnieuw zonder zwembroek van de hoogste duikplank terug willen in het diepst. Praat jij maar, verdroogde kweepeer, zoals in de kapel de houten vrouw met de wormgaatjes er een toont in haar hand, babbel jij maar je rare zinnen, lang als een stofzuigersnoer waar hier en daar een knak in zit, je zou jaloers op me zijn als ik het je met alle verven uit mijn stiefvaders winkel zou vertellen. Wat sta ik hier als een kostschooljongen een reprimande te ondergaan van deze overste, nooit iets anders gelezen dan de fletse werken uit het kloosterboekenkastje en de Volkskrant die opgevouwen bij zijn elleboog ligt, nooit dixieland gehoord, nooit de lieve Marilyn Monroe op een platje gezien waarop ze op haar knietjes een miniem broekje en een bustehouder aanheeft in de schaduw van palmbomen. Weet jij wat een bustehouder is? Waarom ben ik hier, waar eerder de duivel huist dan ik hem zo’n anderhalf uur geleden heb gezien.’

Jeroen Brouwers - Het hout